Een VOJ-school in Brokopondo

Het Wereldwiskundefonds steunt het wiskundeonderwijs in ontwikkelingslanden. Vorig jaar heeft het fonds onder andere een school in Brokopondo in Suriname geholpen met geld voor de aanschaf van materiaal voor de wiskundelessen.
De directeur van de school, de heer Antonius Pokie, vertelt over zijn school en over het onderwijs in Suriname.

U bent directeur van de VOJ-school in Brokopondo. Waar ligt Brokopondo en waar staat VOJ voor?

Brokopondo ligt ongeveer 250 km ten zuiden van Paramaribo. Dat lijkt voor een groot land als Suriname niet veel. Toch zijn wij vanaf Paramaribo niet eenvoudig te bereiken, de weg is onverhard en moeilijk begaanbaar met een gewone auto. De reistijd bedraagt ongeveer drie uur, bij slecht weer moet je bijna de dubbele reistijd rekenen, je kunt dan vaak niet sneller dan 50 km per uur rijden. Brokopondo is de hoofdplaats van het gelijknamige district en ligt aan de Surinamerivier. Er wonen ongeveer 2300 mensen, het aantal inwoners van het district is ongeveer 13000.
VOJ staat voor Voortgezet Onderwijs op Juniorenniveau. Vergeleken met Nederland zou je kunnen zeggen dat we een onderbouwschool zijn op mavo/havo/vwo-niveau. Vroeger waren wij een mulo-school. Wij vormen de derde schakel binnen het Surinaamse onderwijs, na het kleuteronderwijs en het basisonderwijs. Voor leerlingen van twaalf tot zestien jaar is dit in onze omgeving de enige vorm van onderwijs. In de stad, dat wil zeggen in Paramaribo of Nickerie, bestaat er naast het VOJ ook het LBGO, het Lager Beroepsgericht Onderwijs.

Wat zijn uw taken?

Ik heb, samen met de onderdirecteur, heel uiteenlopende taken. Om er enkele van te noemen: ik moet toezien op een goede dagelijkse gang van zaken en alle voorkomende problemen oplossen. Daarbij speel je allerlei verschillende rollen, van verpleger tot politieagent. Ik geef leiding aan het team van leerkrachten en aan de schoonmaaksters, wachters, tuinlieden en de conciërge en ik begeleid nieuwe docenten. Ik probeer de leermiddelen op peil te houden, bijvoorbeeld door donaties te werven van bedrijven, instellingen en particulieren. Ik heb ook vaak voor huisvesting van leerkrachten moeten zorgen en in enkele gevallen heb ik zelfs mee moeten helpen met het bouwen van dienstwoningen. Ik moet ook sociale en psychische problemen van de kinderen kunnen herkennen en hen naar de juiste instanties verwijzen.
Als directeur van een districtsschool onderhoud ik het contact met Paramaribo, met name om het niveau van de school af te stemmen op de eisen die door de overheid gesteld worden. Dat is noodzakelijk omdat de leerlingen een centraal vastgesteld examen moeten maken.

Hoe ziet een gemiddelde schooldag er uit?

De schooldag begint met een vlaggenparade, op de maandag is dat een gezamenlijke parade en op de overige dagen een klassikale. Na de vlaggenparade beginnen de lessen, volgens een rooster van zeven lesuren van veertig minuten per dag. In verband met de warmte beginnen we al om acht uur en eindigt de laatste les om één uur. Er zijn ook scholen die al om zeven uur met de lessen beginnen.

Hoeveel leerlingen heeft uw school en waar komen zij vandaan? Kunt u iets over uw leerlingen vertellen?

De school telt ongeveer 350 leerlingen, tien klassen en twintig leerkrachten. De leerlingen komen voor het grootste deel vanuit de omliggende dorpen naar Brokopondo. Er is geen internaat of centrum om de kinderen op te vangen. De leerlingen komen met de bus, zij moeten één tot twee uur reizen om de school te bereiken. Zonder schoolvervoer zou het voor zeker 85% van de leerlingen onmogelijk zijn de school te bezoeken. Eén van de problemen van de school is dat dit vervoer niet altijd betrouwbaar is doordat de infrastructuur veel te wensen overlaat. De wegen zijn niet geasfalteerd, waardoor de schoolbussen snel moeten worden afgeschreven. Door de slechte wegen raken de bussen ook vaak defect, waardoor zij niet in staat zijn de leerlingen te vervoeren. Met als gevolg dat de kinderen achter raken op school. Er zijn plannen om de wegen dit jaar te asfalteren. Wij hopen dat de overheid dit plan spoedig zal uitvoeren.
De achtergrond en het niveau van de leerlingen lopen sterk uiteen. Hier in het binnenland komen veel leerlingen uit grote gezinnen. De vader heeft vaak verschillende vrouwen. Er zijn ook veel gezinnen waar de vader ontbreekt en de moeder er dus alleen voor staat, met alle gevolgen van dien. De gezinnen wonen in houten woningen of hutten. Meisjes van dertien of veertien hebben meestal een eigen hut. Daardoor ontbreekt vaak de controle van de ouders met als gevolg dat veel meisjes (te) vroeg seksueel actief zijn en dat hun leerprestaties achteruit gaan en dat zij de school zonder diploma verlaten.
Er zijn grote verschillen tussen de leerlingen uit Paramaribo en die uit de districten, zoals onze leerlingen. De districtskinderen moeten veel ontberen. Zo zien we dat ze een achterstand in algemene ontwikkeling hebben omdat televisieontvangst voor hen onbereikbaar is. Verder is er geen of nauwelijks radio-ontvangst en de kinderen hebben niet de gelegenheid om kranten te lezen. Die zijn niet beschikbaar of het is financieel niet haalbaar een krant te lezen. Van computers of internet is hier helemaal geen sprake. Ook de school beschikt niet over een internetverbinding. Dat geldt dus ook voor mij, om mijn e-mail te lezen moet ik naar Paramaribo.
Onze leerlingen kunnen zich dus vaak niet optimaal inzetten tengevolge van sociaalmaatschappelijke problemen. De motivatie en dus ook de prestaties zijn dan ook niet altijd goed te noemen. Het gedrag van de leerlingen is overigens meestal wél goed. Natuurlijk zijn er altijd een paar die uit de maat willen lopen, maar dat hoort bij de leeftijd.

Zien de ouders het belang van onderwijs in?

De meeste ouders hebben zelf geen middelbaar onderwijs gevolgd, ze hebben bijna allen wel de lagere school doorlopen. Helaas moeten wij constateren dat de meeste ouders het nut van onderwijs niet inzien. Dit brengt met zich mee dat wij geen optimale ondersteuning van thuis krijgen. Wij zien dat bijvoorbeeld bij ouderochtenden die wij organiseren. Veel ouders komen niet opdagen of laten hun verantwoordelijkheden over aan anderen.
Een positieve ontwikkeling is dat veel vrouwen de boodschap hebben begrepen van de vrouwenemancipatie. Zij nemen het initiatief in allerlei zaken steeds meer in eigen hand. Zo zijn de vrouwen van het binnenland nu ook op de arbeidsmarkt beland, ze hebben nu evenals de mannen een dagtaak. Voor vrouwen is dat een positieve ontwikkeling. De keerzijde is dat de ouders door het werk buitenshuis minder tijd overhouden voor kun kinderen. En kinderopvang zoals in Nederland is hier nog een onbekend verschijnsel.

Tot welke leeftijd zijn de leerlingen leerplichtig en houden de ouders zich aan die leerplicht?

De leerplicht is hier van zeven tot en met twaalf jaar. Hoewel er weinig controle van overheidswege is, houdt zeker 90 tot 95 procent van ouders zich hier aan. Een verruiming van de leerplichtwet is in de maak, men wil naar een 11-jarige basisschool.

Welke mogelijkheden hebben uw leerlingen om na het VOJ verder te studeren?

Na het VOJ of LBGO kunnen de leerlingen doorstromen naar het VOS, dat is de bovenbouw van havo en vwo, of naar verschillende soorten van middelbaar beroepsonderwijs. Daarna kunnen zij nog verder studeren aan een hbo-instelling, bijvoorbeeld het IOL, het Instituut voor de Opleiding van Leraren, of de Suriname Universiteit. Op dit moment studeren er enkele oud-leerlingen van ons aan de Suriname Universiteit.

Beschikt u over een goed schoolgebouw?

We zijn we niet ontevreden over ons gebouw, het verkeert in een redelijk staat. We kampen nog wel met wat achterstallig onderhoud, bijvoorbeeld van de toiletgroepen, de elektrische installatie en het schilderwerk. De lokalen zijn kaal, zeer sober ingericht.
Het Ministerie van Onderwijs is verantwoordelijk voor de inrichting van de school, maar heeft de laatste vier à vijf jaar helaas onvoldoende middelen. Alleen oud, kapot meubilair wordt vervangen.

En de leermiddelen?

We hebben niet genoeg middelen om goede lessen te verzorgen. Zo moeten wij helaas vaak met verouderde leerboeken werken, omdat de overheid niet over voldoende middelen beschikt om op gezette tijden te zorgen voor vervanging van de leerboeken. Ook andere schoolartikelen worden niet of nauwelijks verstrekt. De leerlingen moeten bijvoorbeeld zelf hun schriften meenemen, maar veel ouders hebben geen geld om die te kopen.
De ouders betalen jaarlijks een bedrag van 35 SRD (ongeveer €10). Van dit bedrag mag de school 40 procent houden voor aanschaf van schoolmateriaal, 60 procent is voor de overheid. De meeste scholen, waaronder ook wij, houden sinds enkele jaren het gehele bedrag, omdat wij anders niet aan de noodzakelijke schoolspullen kunnen komen. Het ministerie van Onderwijs laat dat oogluikend toe.
De school vraagt soms financiële ondersteuning van bedrijven, instellingen en particulieren. Zo proberen wij er onder de gegeven omstandigheden het beste van te maken.
Wij zijn dan ook blij met de financiële steun die wij van het Wereldwiskundefonds hebben gekregen. Wij hebben daarmee veel schriften, ruitjespapier, bordmateriaal en ruitjesborden kunnen aanschaffen. Ook hebben we er voor alle leerlingen een passer en gradenboog van kunnen kopen. Tot nu toe gebruikten de leerlingen om de beurt de bordpasser of –gradenboog, omdat vrijwel geen enkel kind zelf dit materiaal kan aanschaffen. Uw gift zal ongetwijfeld tot betere resultaten leiden.

Kunt u iets meer vertellen over de wiskundelessen?

De meeste leerlingen vinden wiskunde een moeilijk vak. Voor de leerkrachten is het moeilijk om dit idee te ontzenuwen. Zij proberen met de gebrekkige middelen waarover zij beschikken de lessen zo aantrekkelijk mogelijk te maken. De wiskundeboeken zijn verouderd, in Suriname gebruiken wij nog de eerste druk van Moderne Wiskunde, dat zijn dus boeken uit 1968. De boeken worden door het ministerie van onderwijs voorgeschreven en gedistribueerd, de scholen kunnen dus niet zelf een methode kiezen.
Een probleem is ook dat de lessen te abstract, te weinig concreet zijn, waardoor leerlingen geen goed beeld krijgen van het nut van wiskunde. De verouderde wiskundeboeken zijn niet aantrekkelijk voor de leerlingen.
De werkvorm is, zoals bijna overal in Suriname, klassikaal-frontaal. Er is weinig ruimte voor individueel gericht onderwijs. Snelle leerlingen kunnen gemakkelijk meekomen, terwijl trage leerlingen weinig middelen worden geboden, waardoor zij afhaken.
Er valt nog veel te doen op het gebied van het wiskundeonderwijs.

In Nederland dreigt er een groot tekort aan leraren. Kent Suriname dat probleem ook?

Ja, ook in Suriname is er een tekort aan gekwalificeerde docenten. De oorzaken van het tekort zijn onder andere de lage salarissen en, daarmee samenhangend, het wegtrekken van bevoegde docenten naar het buitenland, vooral naar de Nederlandse Antillen. Om de open plaatsen op te vullen is men overgegaan tot het inzetten van beperkt bevoegde leerkrachten. Helaas heeft dit soms gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs.
Wij hebben vooral aan het begin van het schooljaar last van het tekort aan docenten. Het schooljaar begint officieel op 1 oktober, maar het is meestal niet haalbaar om daadwerkelijk te beginnen, omdat niet tijdig bekend is wie de nieuwe leerkrachten zijn en voor welke vakken of combinatie van vakken zij bevoegd zijn. Hierdoor is het onmogelijk om op tijd een lesrooster te maken.

Over de auteur

Sjaak Schoen is voorzitter van het Wereldwiskundefonds en als docent verbonden aan de opleiding Wiskunde van de Educatieve Hogeschool van Amsterdam.
E-mailadres: jpschoen@xs4all.nl